Mijn 8 grootste frustraties zonder roze bril

Ik heb weleens van die dagen dat ik wat verstrooid ben. Met als gevolg dat ik mijn roze bril vergeet op te zetten.
En dan, heb ik net als jullie en ieder ander mens, gewoon wel eens zin om te zeuren. Zoals nu bijvoorbeeld.

Daarom heb ik voor jullie hieronder mijn acht grootste frustraties neergezet die zich opeens uiten wanneer ik brilloos van huis ga:

Wanneer je in volle vaart op een rood stoplicht affietst en met tegenzin stopt omdat je net zo lekker de snelheid erin had en je wilde haren zwierig wapperden. Terwijl je vervolgens nog geen seconde stil staat springt dat stoplicht alweer op groen. Alsof hij het expres doet. Nee, hij doet het expres. Ik weet het zeker.

Mijn tweede frustratie heeft meteen ook met fietsen te maken. Ik kan het namelijk niet uitstaan wanneer ik ingehaald word en de desbetreffende fietser vervolgens in een slakkentempo voor me gaat fietsen. Maar nog erger is als het andersom gebeurt. Wanneer ik een beetje stoer langs iemand fiets en hem in gedachten uitmaak voor trage Hendrik. Vervolgens zet trage Hendrik opeens de versnelling in en komt hij meter voor meter weer dichterbij. Ik voel zijn adem. Het zal me niet gebeuren dat hij mij weer inhaalt. Dat voelt als verlies, als afgaan. Met als gevolg dat ik de rest van de fietstocht zo hard fiets dat mijn banden versleten zijn tot op het wiel en ik de komende vijf dagen niet meer overeind kom. Maar hé, de winst is voor mij.

Een bakje yoghurt eten zonder lepel. Soms sta je op het station en heb je onwijs veel zin in yoghurt. Dus koop je een bakje maar vergeet dat je helemaal geen lepel hebt om het op te eten. Nouja, zonder kan toch ook? Ja, dat kan prima. De eerste paar 100 milliliter. Maar wanneer de bodem in zicht komt begint het grote frustreren. Hoe haal je dit laatste beetje uit het bakje? Eerst probeer je je tong zo ver mogelijk naar buiten te steken. Helaas, te kort, je komt niet bij de bodem. Vervolgens houd je het bakje op de kop boven je mond en wacht net zo lang tot het laatste beetje er langzaam uitglijdt. Maar dit duurt lang. Heel lang. Tergend langzaam zie je het vloeibare genot op je afkomen. Totdat het zo lang duurt dat mijn geduld op is en ik het bakje met een woest gebaar in de vuilnisbak gooi. Alweer gefaald.

In de trein zitten terwijl er een kind achter zit die met het klepje van de stoel speelt. Om de paar seconde voel je een klein bonk in je rug wanneer het klepje terug klapt. Toegegeven, die bonk stelt niets voor qua lichamelijke ongemakkelijkheid, maar toch o zo vervelend. Je weet dat de bonk er weer aankomt en je lichaam staat de gehele treinrit op scherp. Met alle kracht die je in je hebt probeer je om niet op te springen en het kind zelf een bonk te geven. Maar zo stoer ben ik helemaal niet. Ik durf er niet eens wat van te zeggen. Schijterd die ik ben.

Oortjes van je koptelefoon die de hele tijd uit je oren vallen. Ik heb altijd het idee dat ik de enige ben met dit probleem. Maar de oortjes van mijn telefoon wanneer ik muziek luister vallen gemiddeld zo’n 4 keer per minuut uit mijn oren. Vreselijk frustrerend. En daar het natuurlijk vervelend is dat je steeds die oortjes opnieuw in je oren moet stoppen , is er iets wat nog erger is. Ik zing namelijk altijd mee met mijn muziek. Ja, altijd. Ook wanneer ik in een overdrukke metro sta. Maar wanneer mijn oortjes dan uitvallen en mijn stem vol overgave vrolijk doorzingt, word ik plotseling geconfronteerd met de ultieme valsheid van mijn gezang. Een erg pijnlijke confrontatie.

Het geluid van Q-Music. Omdat ik altijd denk dat ik er heel dichtbij ben, maar nooit precies weet wat ik nou bedoel.

Opeens de dwang hebben om je tenen over elkaar heen te slaan terwijl je schoenen aan hebt. Dit is schier onmogelijk. Maar de dwang is altijd zo groot dat het meestal eindigt met het uitdoen van mijn schoenen. Waar ik ook ben.

Fietsen met mandjes. Grrrr. De fietsenstallingen op stations zijn altijd overvol. Een plekje zoeken is een uitdaging op het hoogste niveau. Wanneer ik mijn fiets dan eindelijk in zoveel bochten heb weten te wringen – oké, met wat bruut geweld ten koste van andere fietsen – ben ik altijd heel erg trots. Maar wanneer ik dan terugkom om mijn fiets weer op te halen staat er opeens een fiets met een mandje naast. En wanneer mijn fiets eerst precies paste, past hij nu precies niet. Door dat mandje. Dat vervelende, onhandige, mensonvriendelijke mandje. Nogmaals, Grrrr.
Genoeg gezeurd voor nu. Ik moet er vandoor. Ik doe mijn schoenen aan en pak mijn fiets. Doe oortjes in mijn oren en zet koers naar het treinstation. Keihard meezingend zet ik mijn roze bril op.
Vertel! Wat zijn jullie grootste frustraties?

Ken ik jou niet ergens van?

Er zijn een aantal mensen in mijn leven die ik, ondanks dat ik ze helemaal niet ken, heel erg goed ken.
Mensen die je dag in, dag uit op precies dezelfde plek om precies dezelfde tijd tegenkomt. Omdat ze, hoe verschillend ze ook zijn, toch iets hetzelfde doen als ik. En op een bepaalde manier opvallend zijn zodat ik elke weer denk ‘Hé, daar is ie weer! ‘.

Iedereen kent wel zulke bekende onbekenden. Mensen van wie je veel meer weet dan je eigenlijk zou moeten weten. Maar toch gebeurt het. Omdat die paar aanwijzingen die je elke dag krijgt ongewild het levensverhaal van deze personen doen verklappen. En stiekem geniet ik daar enorm van. Daarom wil ik jullie graag voorstellen aan mijn twee favoriete bekende onbekenden. Lees verder

Zeven onbegrijpelijke mannen

Met een licht bezweet hoofd, nog nat haar van het douchen en mijn volleybaltas ergens slingerend aan mijn schouder strompel ik de trein in. Ik ga zitten en een kleine zucht ontsnapt mijn mond. Heerlijk, na een hele dag werken en vervolgens meteen door racen naar trainen kan ik ultiem genieten van het treinritje terug. Op dit moment van de week is de coupé altijd zo goed als helemaal leeg en kan ik heel zen worden en mijn innerlijke rust vinden, ofzo. Bij mij houdt dat echter niet veel meer in dan mijn ledematen onder controle krijgen en proberen een keer een paar minuten op één plek te blijven zitten. De hogere spirituele rust heb ik helaas nog nooit ergens kunnen vinden (zie Hallo wereld). Maar ik zal wel met mijn neus kijken. Lees verder

Schijtweer

Iedereen doet zijn best om de herfst te romantiseren. Het hele jaar door.
Mijn moeder zong vroeger liedjes over dwarrelende gele herfstblaadjes en zachte zuchtjes wind. De schrijver van dit liedje vergat voor het gemak even liters water uit de lucht en de alles verwoestende wind.
In reclames zie je man en vrouw warm en knus bij een haardvuurtje. Tuurlijk, ik geef meteen toe dat dat heerlijk is en compleet volgens de regels van het ‘romantiek in drie stappen’ boekje. Maar het feit dat meneer en mevrouw er in dat spotje perfect uitzien, met zacht golvend haar, een lichtbruine teint en een neus die niet wegloopt maar rustig op zijn plaats blijft, is simpelweg onmogelijk. Lees verder